Het "vergissingsbombardement" als eerste Nijmeegse fabel.

Volgens Thijs van Woerkom, Oosterhout bij Nijmegen.

Al Jarenlang heb ik me geergerd aan de in feite geschiedvervalsende uitdrukking "vergissingsbombardement" van Nijmegen op 22 februari 1944, die vooral ook De Gelderlander hardnekkig bleef hanteren.
Deze krant weigerde mijn afwijkende zienswijze te publiceren waarbij ik aan de hand van diverse feiten kan aantonen dat een vergissing zeer ongeloofwaardig is.
De Volkskrant vond dit item niet interessant genoeg voor een landelijk medium.
Met mijn medestanders werd ik gewoon uitgelachen om mijn bevindingen die niet strookten met eenmaal hardnekkig ingenomen andere standpunten. Met name door medewerkers van het Groesbeekse bevrijdingsmuseum en het flut-onderzoek van freelance onderzoekster Annet Mooij van het NIOD, zoals ook aangetoond in de in 2009 gepubliceerde uitgave
Nijmegen '44 door de historicus Joost Rosendaal.
Tot mijn grote voldoening is hij in genoemd boek eveneens tot de conclusie gekomen dat het betreffende bombardement van 22.02.1944
geen vergissing was!
Maar zijn opvatting dat het alleen de bedoeling was om het Nijmeegse spoorwegemplacement als gelegenheidsdoel te bombarderen, is ook ongeloofwaardig.
Vooral omdat daarbij tevens, op een afstand van ongeveer een kilometer van het station, het centrum van de binnenstad ondermeer met een nauwkeurig gerichte precisieaanval door laagvliegende bommenwerpers werd getroffen!

Mijn authentieke opvatting dat de bombardementen van Nederlandse steden op 22 februari 1944 niet los gezien moeten worden van de toen al geplande invasie van drie maanden later, wordt niet met name door Rosendaal in zijn genoemde boek vermeld bij zijn zeer uitgebreid aantal bronnen.
Ondanks dat tijdens zijn onderhoud met mij eind 2008 bleek dat hij wel beschikte over b.v. mijn uitgebreide zienswijze in een artikel in het Nijmeegse weekblad De Brug van 24 maart 1999.
Maar ik troost mij met de opmerkingen van de Chinese wetenschappelijk schrijfster Wang Xiaoping: 'Elke authentieke gedachte wordt kapot getrapt in ons gemankeerde onderwijssysteem' en: 'Elk wereldschokkend of baanbrekend nieuw idee zal eerst worden weggehoond'.

Alfons Brinkhuis.
In 1984 verscheen er een uitgebreide studie in boekvorm van Alfons Brinkhuis met als titel:
DE FATALE AANVAL 22 februari 1944. Opzet of vergissing?
Met de onfeilbaar klinkende ondertitel: De waarheid over de mysterieuze Amerikaanse bombardementen op Nijmegen, Arnhem, Enschede en Deventer.
Blijkbaar beschikte hij met sommige andere historici niet over gegevens van militair- strategische overwegingen die opzet zouden kunnen rechtvaardigen. Of mogelijk had hij zich hieromtrent onvoldoende verdiept, waardoor werd geconcludeerd dat de Amerikanen zich op een betreurenswaardige en blunderende wijze zouden hebben vergist.

Wanneer alle relevante feiten tijdens de geallieerde heroveringsoorlog van 1944 op een rijtje worden gezet, dan zijn er te veel aanwijzingen dat het toch opzet is geweest. Waarbij helaas de opzet mislukte het aantal burgerslachtoffers zo veel mogelijk te beperken door in de middagpauze te opereren.
En wel een zeer geheime beperkte militair-strategische missie, afgeschermd en verhuld tijdens een andere zeer grootschalig bombardement dat die dag plaatsvond tijdens de dagenlange operatie 'Argument' met als doelen de Duitse vliegvelden, vliegtuigfabrieken en daarvan afhankelijke toeleveringsbedrijven. Dus puur militair-strategische doelen bij welke gelegenheid toen alle burgerlijke locaties in Duitsland buiten schot bleven.

Om begrijpelijke humanitaire, vriendschappelijke en juridische redenen blijkbaar nog steeds top-secret. Waardoor verdraaiingen van feiten en leugens blijkbaar 'om bestwil', die ook Alfons Brinkhuis en Joost Rosendaal hebben aangetoond, verklaarbaar zijn. Niet voor niets zijn diverse rapporten veertig jaar geheim gebleven en onbekend is welke gegevens nog zijn achtergehouden!
Beide auteurs hebben zich blijkbaar onvoldoende gerealiseerd dat het toegeven van een vooropgezet plan om Nijmegen, Arnhem en Enschede door de Amerikaanse luchtmacht te bombarderen, gigantische schadeclaims zou kunnen uitlokken!

Diverse feiten maken bombardementen bij vergissing op burgerdoelen in een door de vijand bezet land, buiten directe militaire acties, om diverse redenen hoogst onwaarschijnlijk.

 

A: Sinds 1943 hield de Amerikaanse luchtmacht, waartoe de betrokken bombardements-eskaders van de 20ste Combat Wing behoorden, zich uitsluitend bezig met het aanvallen van werkelijk strategische doelen. Ook ter bezuiniging aan voorraden van niet geringe hoeveelheden kostbare zware explosieve bomladingen. Daarbij werd aan vliegtuigfabrieken en betrokken toeleveringsbedrijven (als kogellagers en rubber), vliegvelden, wapenfabrieken, onderzeebootwerven en havens alsmede strategische infrastructuur de hoogste prioriteit toegekend.
Na de verovering van Noord-Afrika op de Duitsers in 1942 en het ingezette offensief in Italie in 1943, besefte de geallieerde legerleiding toen dat de geplande invasie in Frankrijk alleen een kans van slagen zou hebben bij een groot overwicht in de lucht. Absoluut noodzakelijk bij de grootschalige inzet van luchtlandingsdivisies en grondlegers. Het massaal bombarderen van de Duitse vliegtuigindustrie en vliegvelden kreeg daarom de hoogste prioriteit.
Naast de opbouw van een beschermingsvloot van jachtvliegtuigen werden in november 1943 ook plannen gemaakt om een grootschalig geconcentreerde aanval te doen op de Duitse vliegtuigindustrie en vliegvelden.

Daarom was in de week van 20 tot 26 februari 1944 de eerdergenoemde zeer grootschalige missie onder de codenaam Argument gepland, waarbij de Amerikaanse en Britse luchtmachten gezamenlijk de Duitse vliegtuigindustrie een vernietigende slag zouden moeten aanrichten.
De Amerikanen zouden overdag met
precisieaanvallen uitgezochte doelen bombarderen en 's avonds volgden de Britten met uitgebreide bombardementen van het gebied rond het doel om een spoedig herstel te verhinderen.

B. Volgens de door Alfons Brinkhuis in Amerika opgespoorde vrijgegeven officieele rapporten, kregen tijdens de briefings de bemanningen van de bommenwerpers gedetailleerde instructies aan de hand van kaarten en foto's van puur strategische doelen en idem alternatieven die bestookt moesten worden.

Zo spoorde Brinkhuis een tot dusver geheim document op van het hoofdkwartier van een van de deelnemende bombardementsgroepen - de 93ste USAAF bombardementsgroep - gedateerd 23 februari 1944, dat pas veertig jaar later in 1984 werd vrijgegeven. Daarin geeft majoor Henri Z. Lake, een van de inlichtingenofficieren die een sleutelrol speelde bij de missie van 22.02.1944, in een verklaring een verslag van de briefings (instructies) met betrekking tot de aangegeven doelen die toen gebombardeerd moesten worden.
Een van de doelen was blijkbaar erg geheim en belangrijk omdat genoemde officier Henri Z. Lake op 23 februari 1944 was
bevorderd van kapitein tot majoor. Mogelijk was die bevordering gekoppeld aan de geheimhoudingsplicht in verband met een delicate top-secret Field Order.

Onderstaand de letterlijke vertaling:

G E H E I M

HOOFDKWARTIER DRIEENNEGENTIGSTE BOMBARDEMENT GROEP (H) AAF APO 634 AAF 104

23 februari 1944     V E R K L A R I N G  

IK VERKLAAR DAT:

1. Luitenant Colonel George S. Brown opende de briefing op 22 februari 1944 en stelde de doelen vast die aangevallen moesten worden. Op het (geheime) S-2 (= Secret-2) onderdeel van de briefing stelde ik weer de doelen vast en gaf daarbij inlichtingen betreffende het belang van de Primaire en Secundairedoelen. Bij het laatste instantie doel deelde ik mondeling de field order mee.Daar de nadruk was gelegd op een A/D (= vliegveld) als laatste instantie, vertelde ik de bemanning dat gewezen wordt op vier (4) vliegvelden in Duitslandop de heenvlucht en dat de navigators de co-ordinaten bij hun briefing zouden worden gegeven. De vier vliegvelden waren: Giessen 5038 N(oorderlengte) 0843 O(osterlengte), Ettinghausen 5034 N 0861 O, Kertorf 5047 N 0905 O, en Ziegenhain 5056 N 0914 O.

2. In de nacht van 21 februari 1944 werd het Primaire doel bestudeerd door de leidende en plaatsvervangend leidende bemanningen. Zowel bij de Primaire als de Secundaire doelen werden zowel R.A.F. doelkaarten als foto's getoond. Er waren geen foto's beschikbaar van de vier voorgestelde (laatste instantie) vliegvelden, maar ik gaf aanduidingen omtrent hun globale liggingen toen ik de route briefde en legde speciale nadruk op Giessen, gelegen bij een van de keerpunten ten N.O. van Frankfurt. Na de hoofdbriefing bezocht ik de bombardementsbriefing en ging met hen weer over tot de Primaire en Secundaire doelen en omliggende herkenningspunten.

3. Ik gaf geen instructies inzake het bombarderen in vijandelijk bezette landen. Dit onderwerp was keer op keer ter sprake gekomen tijdens de briefings en kritische besprekingen. Ik legde echter grote nadruk op de zorgvuldige aanpak en de aan te vallen doelen op 22 februari 1944. Voordat Lt. Kolonel Brown de briefing afsloot,liet hij de bemanningen de grens van Frankrijk op de kaart zien en vertelde hen dat de bommen op de terugweg moeten worden afgeworpen voor de grens.

HENRI L. LAKE
Majoor, Air Corps
Inlichtingen officier.

De genoemde primaire en secundaire doelen waren fabrieken van vliegtuigen en onderdelen daarvoor.Als laatste instantie doelen noemde hij behalve nader omschreven vliegvelden ook een niet nader omschreven laatste doel waarvoor een mondelinge fieldorder werd gegeven! Een Field Order was een top-geheime opdracht die alleen mondeling werd meegedeeld, om te voorkomen dat een schriftelijke order mogelijk in handen van de vijand kon komen. Vooral ook wanneer een doel in een bezet land moest worden gebombardeerd kon dat alleen wanneer daarvoor opdracht was gegeven met een Field Order. Zoals bevestigd in beide onderstaande verklaringen:

Op de morgen van 22 februari 1944 leidde ik de S-2 (secret-2) briefings van piloten, navigators en bommenrichters. Het Primaire opgegeven doel was de Gotharse Wagonfabrik te Gothar (waar de Messerschmidt-110 jachtbommenwerpers werden gemaakt) en het Secundaire het GAF vliegveld op een afstand van 1,5 mijl ten N.W. van Eschwege. Het laatste instantie doel werd gebriefed als een of ander militair doel in Duitsland, bij voorkeur vliegvelden die aangevallen kunnen worden zonder problemen te veroorzaken bij de ondersteuning van jachtvliegtuigen. Ik kan mij niet herinneren dat ik speciaal verklaard heb dat geen doel in Holland mocht worden aangevallen, aangezien alle piloten, navigators en bommenrichters eerder diverse keren werden gebriefed dat een doel in een neutraal land alleen kan worden aangevallen wanneer dit specifiek wordt genoemd in een field order.De ondergetekende weet stellig dat alle piloten, navigators en bommenrichters werden ge-instrueerd dat zij geen bommen mochten afwerpen in vijandelijk bezette landen.

ARTHUR A. DARRIGRAND
1e Lt. Air Corps
.

De ondergetekende is van Groep S-2 (secret-2) van de 446de Bom Groep (H) station 125. Na het bombarderen van het vliegveld en de brug te Poix op 14 januari 1944, toen het doel een Noball terrein was, werden specifieke gedragsregels vastgesteld dat nooit meer bommen mochten worden afgeworpen in een vijandelijk bezet land, behalve speciaal aangeduid in de Field Order. Deze mededeling werd uitgebreid besproken in de groep en verspreid onder de bemanningen, zowel tijdens persoonlijke gesprekken met bemanningsleden als ook herhaaldelijk bij de briefings. De ondergetekende bezocht de briefings op 21 februari 1944 en verklaart uit eigen ervaring dat 1e lt. Arthur Darrigrand de officieren mededeelde dat hun laatste instantie doel was een militair doel in Duitsland bij voorkeur een vliegveld. De briefing-aantekeningen van Lt. Darrigrand in de missiemap bevat deze gegevens. De ondergetekende verklaart verder duidelijk te herinneren dat kapt. William Schmidt, de Groep Operatie Officier die de formatiecommandant was, aan het slot van de briefing opstond en verklaarde dat als het eerste doel niet kon worden gebombardeerd, zij een militair object in Duitsland moesten zoeken en hij beklemtoonde in Duitsland.

MILTON R. STAHL
majoor Air Corps
Groep S-2 446 Bom Groep (H).

B-24 Liberator

De 446de bombardementsgroep.

De eerdergenoemde 93rd Bomb Group was een van de drie groepen van de 20th Combat Wing. Daarbij hoorden ook de 448ste en de 446ste groep, die met de zware Liberator bommenwerpers vlogen. Op 22 februari waren de doelen van de 446th Bomb Group de Waggonfabrik te Gothar, waar de Messerschmidt-110 jachtbommenwerpers werden gemaakt, en twee nabijgelegen vliegvelden. Het vliegveld van de tachtig kilometer westelijker gelegen stad Eschwege was aangewezen als vervangend doel.

Ondanks deze duidelijke verklaringen waren er later verdraaiingen over wat op deze bijeenkomst precies is gezegd. Een van de briefingofficieren verklaarde dat hij deze restrictie zelf niet had gemaakt. Ook gaf een vlieger later aan dat hij niet meer wist of bezet gebied gebombardeerd mocht worden als gelegenheidsdoel. Het is ook een misverstand dat het bombarderen van gelegenheidsdoelen tot de standaardprocedure hoorde. Volgens Joost Rosendaal (Nijmegen '44) keerden de Amerikaanse vliegtuigen, die overdag vlogen en hun doelen niet konden bereiken, meestal met hun bommen terug.

Na de briefing gingen de bemanningen op 22 februari naar hun vliegtuigen. Het 706de squadron had de leiding. Olivier W. Henderson was de piloot van het voorste vliegtuig en Schmidt ging mee als zijn tweede vlieger. De formatie werd compleet gemaakt met een toestel van het 704de en een van het 707de squadron. Overige vliegtuigen uit deze twee squadrons vormden de tweede sectie en het 705de squadron werd de kern van de derde sectie.

Tijdens slecht weer toen in Engeland had de 446de groep de leiding van de 20th Combat Wing met de 93ste en de 448ste Bomb Group. Boven Nederland was het weer aanzienlijk beter. Door de chaos voor de Engelse kust werd de missie afgeblazen en keerde ook de 2de Combat Wing terug met de bommen nog aan boord. Maar het terugroepbericht was niet tijdig bij Handerson en Schmidt binnengekomen en pas om plm. 12.55 stond de juistheid van het bericht vast en besloot Schmidt de missie af te blazen. Omdat de Combat Wing al 60 kilometer boven Duitsland was gaf hij daarom opdracht om een gelegenheidsdoel te kiezen.

In zijn verslag aan generaal-majoor James Doolittle, de commandant van de 8th USAAF, zette brigadegeneraal James P. Hodges op 16 maart 1944 uiteen wat er was misgegaan tijdens de missie op 22 februari. Een sterke bovenwind van 90 knopen zou een westwaartse wind hebben veroorzaakt waardoor de 446ste groep wegens een andere groep bommenwerpers van koers veranderen. Hierdoor werden Nijmegen, Enschede, Arnhem en Deventer mistaken voor last resort targets (laatste instantie doelen, waarmee volgens de eerdergenoemde verklaring van majoor Henri Lake nadrukkelijk vliegvelden werden bedoeld!) in Duitsland en gebombardeerd.

Hodges baseerde zich onder meer op de informatie die William Schmidt had gegeven in zijn rapport van 22 februari, maar waarschijnlijk pas een paar dagen later werd geschreven.

De 446ste groep zou moeten hebben uitwijken voor andere formaties vliegtuigen en weer na draaiingen zou Kleef (zonder enig militair object) als aanvalsdoel zijn gekozen en zijn gebombardeerd door de derde sectie. Na controle van het navigatieapparatuur op de vlucht terug, bleek volgens Schmidt dat het ging om Nijmegen (eveneens zonder militair object in de binnenstad) en Arnhem.

Joost Rosendaal beschrijft:

"Schmidts rapportage gaf geen correctie weergave van het gebeuren. Direct na de landing hoorden de inlichtingenofficieren (S-2-officieren) van de basis de bemanningen langdurig uit om zo veel mogelijk militaire informatie te verzamelen, geheel volgens de gangbare procedure. Gevraagd werd ondermeer naar het resultaat van de gebombardeerde doelen, de tegenstand van de vijandelijke vliegtuigen, de effectiviteit van het escorte van jachtvliegtuigen, het afweergeschut, geobserveerde vliegtuigen in nood en bijzondere waarnemingen van vijandelijke bewegingen. In geen van deze verklaringen wordt Goch of Kleef genoemd. Zeven vliegers van de eerste sectie van de 446th waren niet helder over het gebombardeerde doel: 'possibly Nijmegen' en 'unknow might be Nijmegen'. Ze zouden het tijdens deze verhoren hebben laten weten als ze dachten dat ze Goch in het vizier hadden. Ook in de rapporten van de bommenrichter en de navigator, van 23 februari, komen Goch en Kleef niet voor.

Het rapport van Schmidt staat ook op gespannen voet met zijn verklaring tijdens de evaluatie van de missie. Tegenover de commandant van de 20th Combat Wing, kolonel Jack W. Wood, vertelde hij dat zijn Bomb Group na de bevestiging van de recall nog vijf minuten was doorgevlogen om een " target of opportunity in Germany " te zoeken: " Finally we found a city which we thought was in Germany , Nijmegen , and two sections dropped on it " .

Was Schmidt zich ervan bewust dat hij Nijmegen liet bombarderen? Of was dit een constatering achteraf? In de evaluatie veronderstelde hij dat twee secties Nijmegen hadden gebombardeerd. De andere sectie had evenwel Arnhem als doel gekozen. Bij het opstellen van zijn officieel verstrekte verklaring wist Schmidt inmiddels dat hij Nijmegen en Arnhem niet had mogen bombarderen. Hij had er alle belang bij dit in de rapportage te verdoezelen. Vooral ook wanneer zijn zeer geheime missie niet mocht uitlekken en maar in een zeer beperkte kring bekend was. Hij beperkte zich dan ook tot het koersverloop en sprak met geen woord meer over het resultaat van de bombardementen".

Vervolgens verhaalt Rosendaal nog uitgebreid over diverse zeer ongeloofwaardige vluchten die aanleiding zouden zijn om tijdens onbewolkt weer burgerdoelen in Nederlandse steden te bombarderen.
Geheel in strijd met de duidelijk aangemerkte beperkt geselecteerde militair strategische doelen:
vliegtuigfabrieken en vliegvelden in Duitsland.

Vooral het verslag van Schmidt staat vol tegenstrijdigheden en lijkt niet alleen een vergoelijking van een verkeerde beslissing maar ook duidelijk een poging om een geheime militair-strategische missie opzettelijk te verbloemen.
En wel een precisieaanval om de Nijmeegse kerktorens en hoge gebouwen te elimineren.
Deze vormden als waarnemingsposten voor de Duitse artillerie een groot gevaar tijdens toekomstige geallieerde luchtlandingen bij Lent, Oosterhout en Ressen bij de verovering van de Waalbruggen.

Immers tijdens de zeer moeilijk verlopen geallieerde opmars vanuit Zuid-Italie in 1943 had men ondervonden dat de Duitse artillerie veel profiteerde van uitstekende hooggelegen observatieposten. Vooral ook bij het oversteken van rivieren. Dus als een van de voorbereidingen op de opmars na de in mei of juni geplande invasie.
De opzet van de uitgevoerde precisieaanval met laagvliegende toestellen werd verhuld met een gelijktijdig bombardement van hoogvliegers. Om burgerslachtoffers te beperken was de operatie gepland in de middagpauze van scholen en winkels tijdens luchtalarm. Deze opzet mislukte helaas.
Ook het hoge stationsgebouw was een observatiepost, vooral ook naar open westelijke locaties, en de verwoeste restauratie kon voor carriers en tanks toegang vormen vanaf de Graafseweg naar het perron en de spoorbaan over de spoorbrug.

Gezien de eerdergenoemde geheime field order tijdens de voorafgaande briefing van de 93ste Bomb Group is het zeer aannemelijk dat deze groep boven Nijmegen een topgeheime en fatale missie uitvoerde. Waarbij diverse latere rapporten en verslagen zijn gemanipuleerd!

Overige opmerkelijke feiten: 

C. In de leidende bommenwerper van de 446ste bombergroup waren zelfs twee ervaren navigators aan boord, wat zelden voorkwam. Zij konden aan de hand van speciale apparatuur steeds exact de juiste plaatsbepaling vaststellen, ook tijdens dichte bewolking en in nachtelijke duisternis. Gezien het toen heldere en zonnige weer konden zij en ook de piloten bovendien aan de hand van kaarten en foto's de typische kenmerken van Arnhem en Nijmegen die dag moeiteloos vaststellen.

D. Dit bewijzen ook de foto's die zij maakten kort voor, tijdens en na de bombardementen van beide steden, en samen met andere gegevens werd onder de opnamen genoteerd: Arnhem en Nijmegen. En niet Goch en Cleve, met welk leugentje de ervaren aanvalsleider William Schmidt later aan kwam zetten. In dat geval zou hij ook de strikte orders niet hebben opgevolgd door andere dan strategische militaire doelen te hebben aangevallen. Zelfs op het spooremplacement waren geen treinen met militaire ladingen waarneembaar.

E. Een hoogvliegende bommenwerper heeft een foto gemaakt van stofwolken van de eerste bominslagen waarbij hoge gebouwen als van V&D, Hema, en de Waalse kerk in de Commanderie werden getroffen. Ook de hoge torens van Stevenskerk en de Augustinuskerk werden horizontaal met bommen doorboord en kantelden door die doelgerichte precisieaanval. Daarbij bleek de toren van de Broerstraatkerk te smal, maar de bommen op de Franciscuskerk en pastorie op de Doddendaal en de Canisiuskerk aan de Molenstraat troffen wel doel. Het hoge Stationsgebouw werd zwaar beschadigd en de reaturatie bood door de verwoesting een opening naar het perron. Prompt daarop dropte de eerste sectie van de 446ste bomgroep met twaalf B-25 bommenwerpers (plus twee van een andere groep) op een hoogte van 5300 meter nog eens een groot aantal brisantbommen op het stadshart vanaf het Kelfkensbosch richting centrum.
Dit lijkt op 'n doelgerichte actie omdat kerktorens en hoge gebouwen ideale observatieposten waren.


B-17 Flying Fortress

F. Evenals de in november 1943 geplande aanval op de Duitse vliegtuigindustrie en andere strategische doelen, moest in die periode ook al de gigantische geallieerde invasie van de komende lente of zomer 1944 op het Europese continent worden voorbereid en gepland.

Afhankelijk van de gekozen aanvalsstrategieen tijdens de bevrijding van de door de Duitsers veroverde landen, moesten de deelnemende geallieerde legers worden bemand en uitgebreid getraind. Dit vergde ook vele maanden voor de aanleg van extra vliegvelden in het Verenigd Koninkrijk, bouw van schepen, landingsvaartuigen, tanks en voertuigen. Tevens de productie van brandstoffen, munitie en uitrusting met de bijbehorende logistieke planning en organistatie. En naast de vorming van landlegers ook de luchtlandingsdivisies, die naar geplande behoeften materieel dienden te worden bewapend, bevoorraad en ook uitgerust met specifiek materieel als gliders (zweefvliegtuigen), amfibievoertuigen, boten, demontabele bruggen, brandstoffen, munitie, anti-tankwapens en rantsoenen.

In grote mate zeer afhankelijk van en toegespitst op de locaties tijdens de geplande opmars na de invasie. Het vaststellen van strategische detail-operaties, zoals ondermeer Market-Garden, was afhankelijk van de vijandelijke defensieve weerstand. Maar de globale opmars was materieel en personeel onmogelijk zonder een maanden tevoren geplande richting bepalende strategie.
In Nederland ging deze volgens
de meest strategische logica (ook voorzien door Duitse strategen), vanuit Frankrijk en Belgie door Brabant en Limburg over de rivieren naar het IJsselmeer om de westelijke Nederlandse provincies te omsingelen.

Om gebruik te kunnen maken van de bestaande bruggen, was het absoluut noodzakelijk deze tegelijkertijd aan weerszijden door luchtlandingstroepen te veroveren voor een snelle doortocht van de divisies van de landlegers.
Vooral ook omdat bruggenhoofden noodzakelijk waren bij de bouw van noodbruggen wanneer de bestaande bruggen door de vijand zouden worden opgeblazen, zoals bijvoorbeeld de brug bij Son over het Wilhelminakanaal.
Volgens deze opzet is de verovering van de Maasbrug bij Grave ook uitgevoerd en geslaagd.
Als breedste rivier vormde daarbij
de Waal de grootste klus met alleen verkeers- en spoorbruggen bij Zaltbommel en Nijmegen. Al eind 1943 moeten de geallieerde staven zich al gerealiseerd hebben, dat op welke wijze ook benaderd, Nijmegen strategisch het meest aantrekkelijk was voor de doorstoot naar het noorden.

Afhankelijk van de vijandelijke concentraties, zou later tijdens de opmars vanuit Noord-Frankrijk en Belgie voor een meer gedetailleerd plan gekozen kunnen worden. Bijvoorbeeld. via Antwerpen, Breda, Tilburg en Den Bosch, of via een gecombineerde route via Eindhoven, Veghel en Grave, eventueel gecombineerd met de route langs de Maas.
Of pas een doorstoot over de Rijn na de verovering van de Over-Betuwe, wat de Amerikanen prefereerden.
Dit werd uiteindelijk operatie Market-Garden, die de Britse maarschalk Montgomery er door drukte, maar dat niet volgens het logische luchtlandingsplan plan werd uitgevoerd, doordat het 325ste Glider Regiment van de 82e Amerikaanse Luchtlandingsdivisie niet aan de noordzijde van de Waal bij Nijmegen landde. Volgens generaal Gavin was dit regiment niet komen opdagen tijdens de tweede luchtdropping op maandag 18 september, omdat toen in Engeland te veel bewolking zou zijn geweest voor de armada
gliders. Desondanks landden die dag wel een aantal zweefvliegtuigen in Groesbeek.

Maar ook de Duitsers hadden deze strategie doorzien, want al in augustus 1944 waren zij al begonnen bij alle geschikte landingsterreinen aan weerszijden van de Nijmeegse en Arnhemse bruggen FLAK luchtafweer te plaatsen, meestal gecamoufleerd door de hoogstamboomgaarden.

In Lent werd op 17 september het lichte luchtdoelgeschut op de Waalbrug overgebracht naar de Bemmelsedijk.

RAF 19-09-1944 Waalbrug 

De spoorbrug werd beveiligd door vier kanonnen van 20 mm die op platforms waren geplaatst en ook op de wallen van het fort bij de Zaligerstraat stonden diverse stuks geschut.

RAF 19-09-1944 Spoorbrug - Fort Lent 

Veel meer Duits geschut was geplaatst in de Vossenpels, het Visveld en de Grote Boel. Ook was er een stelling aan de Waaloever tegenover het Maas en Waalkanaal.

In Oosterhout waren twee batterijen 88 mm FLAK luchtafweer bij 't Klumpke aan de Griftdijk, waarvan de bemanning het nabijgelegen huis van 'boereke' Jansen hadden gevorderd. Eveneens waren er stellingen bij het Oosterhoutse bos, bij de boerderij van Karel Hofs aan de Stationsweg naar Ressen en nabij de veiling EKV.
In de boomgaard van Swellengrebel aan de Stationsstraat waren drie houwitsers opgesteld en aan de Oosterhoutsestraat bij de Hoge Wick, achteraan in de Balverensche Hoek en bij de Krakenburgsestraat stonden ook 88 mm luchtafweerkanonnen. Aan de Oosterhoutsestraat bij het huidige sportterrein van OSC was een batterij van vier 105 mm kanonnen in het weiland ingegraven.

Tussen Slijk-Ewijk en Valburg was bij De Hoge Brug een wachtpost met veldtelefoonverbinding naar andere posten tot over de rivieren.

Ook op de Nijmeegse Kopse Hof, bij de Goffert, het Galgenveld, Neerbosch en bij het Maas en Waalkanaal was Duits luchtafweer.

Op vrijdag en zaterdag 15 en 16 september had een B-27 bommenwerper van de RAF en beschermd met een groot aantal jachtvliegtuigen als verkenner vanaf Eindhoven langdurig boven Nijmegen, de Betuwe en Arnhem rondgecirkeld. In het Bevrijdingsmuseum te Groesbeek wordt een kaart bewaard waarop ondermeer alle genoemde FLAK-stellingen met bijbehorende mitrailleursnesten in rode inkt staan ingetekend.

Generaal Gavin had toen de niet geheel juiste inlichtingen ontvangen dat zich rond Nijmegen 29 zware en 88 lichte Duitse afweerkanonnen zouden bevinden. Waarschijnlijk is het aantal 88 verwisseld met het kaliber van 88 mm.
Een paar uur voorafgaande aan de luchtlandingen van 17 september werden bijna alle genoemde Duitse afweerstellingen - evenals tijdens de gevechtsoperaties in Noord-Brabant - in meerdere golven aangevallen door squadrons raketwerpende Typhoons van de RAF. De grote FLAK stellingen bij de Griftdijk werden bovendien door bommenwerpers, ge-escorteerd door jachtvliegtuigen bestookt. 
In Oosterhout was ik getuige van het gierende omlaagduiken van deze jagers, gevolgd door een verschrikkelijk gefluit en eindigend in het doffe gedonder van een explosie. Daarbij zijn een flink aantal Duitsers omgekomen en stellingen uitgeschakeld, waarvan maar sommige weer min of meer in gebruik konden worden genomen. Ook Duitse stellingen bij de Rijnoevers werden zo bestookt.
Voor het Duitse 88 mm FLAK-luchtafweer, dat ook vlak kon worden gesteld, waren landende zweefvliegtuigen uiterst kwetsbaar. Akkers met stoppelvelden waren in die droge nazomer zeker geschikte landingsterreinen in de Betuwe, wanneer deze tenminste nog niet omgeploegd waren.
Ook diverse weilanden waren toen zeker bruikbaar. Maar de kundige Duitse militairen hadden zich daar bij alle bruikbare landingsterreinen strategische genesteld, zoals hiervoor beschreven.
Zeer waarschijnlijk dat ook wegens deze situatie de bevelvoerende commandant van het 325e Glider-regiment van de 82e Airborne divisie, deze zeer risicovolle landing op de droppingszone ten noorden van de Nijmeegse Waalbrug niet durfde te riskeren. Want dit regiment was wel voldoende materieel en personeel uitgerust. En de volgende dag, maandag 18 september, bleek het ongunstige weer in Engeland dit regiment aan de grond te houden.

Mogelijk om de vriendschap met Nederland niet op het spel te zetten en schadeclaims te voorkomen, verscheen tijdens de oorlog in oktober 1944 in het Amerikaanse weekblad Life een verslag over het bombardement van vier Nederlandse steden op 22 februari 1944.
Bij de die dag gebombardeerde Duitse vliegtuigfabrieken en vliegvelden werd ook vermeld op een bijbehorende ingetekende kaart: 'Diverse industrieen te Enschede, Deventer, Arnhem en Nijmegen.
De verzonnen verklaring was simpel: "Een dicht wolkendek verhinderde de eerste en de tweede divisie Amerikaanse bommenwerpers om de bombardementen boven de voorgeschreven doelen met kans van slagen uit te voeren. En bijgevolg moesten de vliegtuigen het grootste gedeelte van hun bommenlast op die plaatsen afwerpen, waar met zwakke bescherming van gevechtsvliegtuigen de gelegenheid hiertoe gunstig was."


En gij geleuf da!
was ook daarom na de bevrijding een veel gehoorde standaarduitdrukking
in Nijmegen en omgeving. En tenslotte:

Al is de vergissings-fabel nog zo snel, na echte kritische studie achterhaalt de waarheid haar eindelijk wel!




B-25 Mitchell

Laagvliegers 22 februari 1944.

Ooggetuigen op 22 februari 1944 van doelbewuste precisieaanvallen (met de eerste gefotografeerde stofwolken van de explosies), vlak voor de gefotografeerde opname van vallende bommen uit hoogvliegende toestellen.

Bronnen:

De pijn die blijft door Bart Janssen
De fatale aanval
door Alfons Brinkhuis,
overige van Thijs van Woerkom..

De 25-jarige Albert Uijen was hoofd van de administratie van de Luchtbeschermingsdienst. Hij bewaarde doorslagen van rapporten die werden gemaakt en was bekend om zijn fabelachtig geheugen. Om 12.40 uur meldden de uitkijken van de Marathontoren aan de Goffert 61 vliegtuigen boven de stad. Om 13.16 werd het luchtalarm van de Duitse Warnzentrale veilig gegeven, maar ook 'Gespannte Luftlage': er zijn nog vliegtuigen in de lucht, blijft op uw hoede. Even later ging een deel van de bezetting van de commandobunker aan de Fagelstraat naar buiten om te kijken naar de overtrekkende vliegtuigen, waaronder Albert Uijen die even voor half twee getuige was van een aantal laagvliegende bommenwerpers die vanuit het noordoosten over Nijmegen ronkten en waarvan een aantal bommen afwierp.

Hans Koedam zag bij de boerderij van zijn ouders aan de Groenestraat in Oosterhout eveneens uit dezelfde richting een aantal bommenwerpers laag richting Nijmegen vliegen.

Mevr. T. v.d. Berg was in 1944 achttien jaar. 'Op 22 februari zaten we tegen half twee te eten. We schrokken van de vele vliegtuigen. Het was een vreselijke herrie (onmiskenbaar veroorzaakt door laagvliegende vliegtuigen, Th.v.W.) en we waren erg bang. Terwijl we met mijn moeder naar de voorkamer (in de Parkdwarsstraat in Nijmegen) liepen kreeg het huis een voltreffer.'

Mevr. Smorenburg-Dromers ging met een zus en stiefzus vanaf Macharen via Oss met de trein naar Nijmegen. 'Meteen nadat we in Nijmegen het station uitkwamen ging het luchtalarm. We zijn ergens gaan schuilen in een cafe waar we onze boterhammen opaten. Na het vrijgeven van het alarm liepen we door naar Vroom & Dreesmann, waar voor de deur het alarm opnieuw ging. We schrokken want we zagen de vliegtuigen nu heel laag overkomen. Meteen vielen de bommen.' Daar raakten ze zwaargewond.

Henk Duijghuijzen uit Beuningen zat in de zesde klas bij de broeders aan het Kelfkensbos in Nijmegen. Tussen de middag ging hij met zijn vriend Koentje bij diens moeder in de kiosk in de stationshal iets afgeven. Daarna zagen zij bij het passeren van het Victoria hotel de vliegtuigen aankomen (uiteraard angstwekkend laagvliegend, Th.v.W.) en lieten zich vallen. Henk in de goot en Koentje op het trottoir. Koentje was dood en Henk lichtgewond, maar stierf in het ziekenhuis aan tetanus.

Jan de Groot (16 jaar) uit Overasselt zat op de mulo in de Schoolstraat (Bottendaal). 'Het was pauze en ik stond met andere jongens op de speelplaats, toen op grote hoogte van oost naar west een eskader bommenwerpers de stad naderde. Ik telde de vliegtuigen en dacht dat het er 24 waren. Ineens hoorden we het suizen van vallende bommen en we vluchtten naar binnen.
Toen we weer buiten kwamen was het centrum van Nijmegen in rook gehuld.'

Arnold Nooijen woonde op de Oude Varkensmarkt, ongeveer waar nu het Plein 1944 is. 'Op 22 februari 1944 rond twaalf uur klonk die dag het eerste luchtalarm. Een armada van vliegtuigen vloog richting Duitsland. Na ongeveer een uur werd het sein veilig gegeven en mijn zusje en broers op de lagere school kwamen naar huis. Zelf zat ik op de mulo (derde klas) bij de broeders in de Gerard Noodtstraat, maar omdat die school toen door de Duitsers was gevorderd, hadden we na enkele verhuizingen les in het gebouw van de Universiteitsbibliotheek in de benedenstad. Ik moest die middag naar school en na het eten liep ik via de Korte Bloemerstraat en de Augustijnenstraat naar de Grote Markt. Voor de Hema hoorde ik weer vliegtuigen, en uit de richting Arnhem kwamen zeer laag dertien vliegende forten aangevlogen. Kort daarop werd opnieuw alarm gegeven en ik hoorde een klok half twee slaan. Ik was nog niet halverwege de school en daarom besloot ik terug naar huis te rennen. Nauwelijks was ik de Augustijnenstraat ingelopen of ik zag dakpannen en balken naar beneden komen. Samen met een jongen die daar ook liep ben ik snel via een poortje van de kerk, dat opengevlogen was, achter een muur gaan staan. Ik kon de geweldige klappen van inslaande bommen via de binnenstad richting station volgen. Het was ineens pikdonker en het duurde zeker een kwartier voor het weer een beetje lichter werd.' Zijn ouderlijk huis werd verwoest, vader dood en moeder, broers en zusje overleefden de ramp.

Piet Peerenboom en een jongen Hubers woonden op de Willemsweg en zaten in klas 2B van de ambachtsschool in de Nieuwe Marktstraat. Op weg naar school die 22 februari 1944 herinnert Hubers: 'Op het Stationsplein zagen we de vliegtuigen boven de binnenstad en we bleven stilstaan om ze te tellen (deze precieze plaatsaanduiding op geringe afstand duidt op laagvliegende toestellen, Th.v.W.). Tijdens dat tellen drong het tot ons door dat we zware ontploffingen hoorden uit dezelfde richting en we beseften dat het bommen moesten zijn. We moesten schuilen en we wisten dat er op het station een schuilkelder was. Het ging allemaal zo snel dat ik besefte dat ik die schuilkelder niet zou halen. Piet rende door, maar ik ben naar de kiosk van Peeman bij de gashouder gerend en daar ging ik op de grond liggen.' Hij werd licht aan zijn hand gewond, maar Piet werd gedood.

Frits Peljak woonde met zijn ouders (vader kinderarts) en zes broers en zussen in een dubbel herenhuis op de Kronenburgersingel 8. Frits en zijn broer Hektor hadden geen school wegens gebrek aan kolen. De oudste zus Sigrid was ziek en lag boven op bed. Door het heldere weer had zij een goed uitzicht op de torens van de Molenstraatkerk. Omstreeks half twee kwamen mijn oudere broers Jan en Hans thuis van het gymnasium en vertelden dat luchtdoelgeschut van Duitsers in de Ooij op grote ballonnen aan het schieten was. 'Ik wilde dat zien en liep vanuit de voordeur naar het plantsoen voor ons huis. Opeens kwamen er grote viermotorige vliegtuigen aangevlogen vanuit het oosten. Ze vlogen zo laag dat ik bang was dat ze de schoorstenen van de daken zouden afmaaien. Ik rende terug naar binnen en zag op het dak mijn broer Jan en op het balkon mijn vader staan. De wachtkamer was vol patienten. Nauwelijks was ik terug in de gang of ik zag een fel blauwachtig licht. Meteen stortte het huis boven mijn hoofd in elkaar.' Door roepen werd hij uitgegraven in de puinhoop. Sigrid die vanaf haar bed de vliegtuigen had zien aankomen, was opgesprongen toen zij de torens van de Petrus Canisiuskerk aan de Molenstraat had zien bewegen. Zij stond in de deuropening van de slaapkamer toen onder haar en de wachtkamer met patienten een bom insloeg en ontplofte en het huis instortte.

L.P. van den Heuvel uit Berchem bij Oss had wegens carnaval of het veertigurengebed geen school en speelde met vriendjes op straat. Ronds twaalf uur was de lucht vol met geallieerde vliegtuigen die nar Duitsland vlogen. 'Na de middagboterham zagen we nog zestien vliegtuigen een beetje lager dan de andere vliegtuigen in oostelijke richting vliegen. Even later omstreeks half twee hoorden we vanaf die kant een zeer zwaar donderend geluid.' (20 km afstand, Th.v.W.).

George Hilckmann (13 jaar) zat met zijn broer Joep (8 jaar) op de St. Jozefschool aan de Bijleveldsingel. Rond het middaguur gingen zij met de leerlingen naar de kerk aan de Groesbeekseweg voor het veertigurengebed. Wegens het luchtalarm moest iedereen in de kerk blijven tot kwart over een. Op de hoek van de Nassausingel en het Keizer Karelplein werden zij ingehaald door hun vader G.G.H. Hilckmann die was wezen praten over bedrijfskleding bij Melkerij Lent. Toen zij bij het perkje bovenaan de Kronenburgersingel liepen, ging het luchtalarm weer af. George: 'Ik keek omhoog en zag vliegtuigen aankomen.
Ik telde er zestien.
Ze vlogen erg laag en toen ze doken zag ik de piloten zitten. Ik zag een soort potloodstompjes vallen en ben automatisch op de grond gaan liggen. Vader en Joep begonnen te rennen, ze probeerden de schuilkelder aan de rand van het park te halen, maar dat lukte niet. Om me heen hoorde ik ontploffingen, een verschrikkelijke herrie. Ik voelde een onvoorstelbare luchtdruk en ik kreeg een hele zandvlaag over me heen. Na een tijdje stond ik op, midden in het perkje zag ik een krater van enkele meters diep. Verdwaasd liep ik door. Een paar meter verderop zag ik Joep liggen. Ik vroeg hem mee naar huis te gaan en heel zwakjes hoorde ik hem zeggen: "Nee , ik kom straks wel." Ik had er geen erg in dat onder zijn leren jas zijn benen doorsneden waren.' Joep overleed aan zijn verwondingen en het lichaam van vader Hilckmann werd tientallen meters verder bij het hoekhuis aan de Spoorstraat gevonden. George herstelde van verwondingen aan zijn knie en lies.

Joop Gerrits zat op de ambachtschool aan de Nieuwe Markt. Rond kwart over een werd het luchtalarm opgeheven. Wim Maassen, die op de hoek van de Bloemerstraat en de Doddendaal woonde, ging altijd thuis lunchen. Met een groep jongens liep hij via de Lange Hezelstraat en de Houtstraat naar het centrum. Joop: 'Ik bleef enkele tientallen meters achter. Op de hoek van de Lange Hezelstraat en de Houtstraat zag ik hoog in de lucht een formatie vliegtuigen. Ze vlogen vier aan vier. Ik bleef staan omdat ik recht omhoog moest kijken. Daarna weet ik even niets meer. Ik lag op de grond en hoorde drie of vier vrouwen verschrikkelijk gillen. Tegelijkertijd hoorde ik kerkklokken. Niet het geluid dat altijd zo royaal over de stad galmde, maar afgebroken doffe klanken. De St. Stevenstoren was geraakt en de klokken kwamen bij mij in de buurt terecht. Alles voor me was een grote zwarte stofwolk.'

Chris Gerrits (toen 10 jaar): 'Ik woonde op de H. Landstichting en die dag was het prachtig weer: een strak blauwe hemel en het vroor. Ik hoorde vliegtuigen ronken en liep naar buiten. Recht boven ons huis, maar vrij hoog, zag ik een aantal vliegtuigen richting Nijmegen. Als ik het beeld probeer terug te halen waren het er 3 of 4. Het was prachtig om te zien, ze glinsterden in de zon. Even verderop ter hoogte van het klooster Marienbosch, doken ze plotseling stijl naar beneden en maakten daarbij een fel gierend geluid tot ze achter de bomen verdwenen waren. Even later zag ik rookwolken en weer wat later hoorden we wat er gebeurd was. Mijn vader werkte in Nijmegen en we vreesden het ergste, maar gelukkig kwam hij na enkele uren wachten heelhuids op zijn fiets weer thuis. Zo'n dag vergeet je niet. Van de dag ervoor of erna kan ik me niets herinneren.'

De 40-jarige Ir. Herman Hondius, NSB loco-burgemeester van Nijmegen en commandant van de LBD was na het veiligsignaal van het stadhuis met de auto naar huis gereden. Toen hij het hek van zijn woning aan de Kwakkenberg inreed hoorde hij in de verte de bommen die op Arnhem werden gegooid. Met een prismakijker rende hij naar het dak van zijn huis en zag een formatie viermotorige bommenwerpers vlak boven zijn huis 'en bij het kijken constateerde ik met ontzetting dat de toestellen de bomkleppen openden en bommen lieten vallen, (die moeten zo zichtbaar dus ook laag hebben gevlogen, Th.v.W.) die dan ook na enige seconden insloegen'.

Wim Maassen (8 jaar) woonde boven de bakkerij op de hoek van de Bloemerstraat en de Doddendaal en zat op school bij de broeders op het Kelfkensbos. Tijdens het luchtalarm moesten we onder de banken gaan zitten. Toen het alarm was afgeblazen liep hij snel naar huis. 'Op de Oude Varkensmarkt zag ik op de Doddendaal mensen buiten staan. Ze stonden naar boven te kijken. Er stonden zelfs mensen met een verrekijker. Mijn moeder wenkte dat ik meteen naar huis moest komen, maar ik vond het buiten veel spannender en liep nog een stukje door. Ik keek omhoog en zag vliegtuigen die heel laag kwamen aanvliegen. Het waren er zestien en ik zag dat de luiken open stonden. Het zware monotone gedreun werd ineens doorbroken door scherp fluitende geluiden en toen brak de hel los. Ik herinner me een onvoorstelbare luchtverplaatsing en ik werd tegen een muur gegooid.' Vandaar werd hij via het huis van den Berg en het Carmelklooster naar het magazijn van Schonberg gedragen en vandaar naar het ziekenhuis omdat zijn arm zwaar gewond was.

Netty van den Heuvel-Verheijen werkte bij modemagazijn Haspels aan de Lange Burchtstraat. Tijdens de lunchpauze werkte ze aan de trouwjurk van Doortje Fullings (die op een dorp woonde) waarvoor ze een heerlijke boterham met spek kreeg. In de lunchpauze was Doortje met een paar collega's naar de zolder gegaan. Daar keken ze uit over de daken van de stad en over de Waal. Netty: 'Ik hoorde Doortje roepen dat ik naar de zolder moest komen omdat er zoveel vliegtuigen aankwamen (waarschijnlijk een uitzonderlijk gezicht omdat die, in tegenstelling tot de vele hoogvliegers van die dag, nu laag vlogen, Th.v.W.). Ik rende de trappen op en op het moment dat ik de knop vastgreep en de deur opende hoorde ik een vreemd gefluit. Het luchtalarm ging opnieuw. In de seconden daarna gebeurde het. Twee bommen waren in hun glijvlucht in de verdiepingen onder me gedrongen en met een onvoorstelbare harde knal ontploft. De vloer van de zolder spatte uit elkaar en ik zag dat Betsy en Doortje uit het raam geslingerd werden.' De vloeren tussen de verdiepingen waren weg en Netty werd als enige gewonde overlevende door twee Duitse soldaten gered tussen het puin.

Truike de Lange, dochter van dokter J.C. de Lange, woonde met haar familie op de Oude Molenweg. Zat met een zusje op de Nutsschool aan het Hertogplein. 'We liepen na beeindiging van het eerste luchtalarm op het schoolplein dat we niet mochten verlaten. Ineens zagen we een parachutist in de lucht die afdreef in de richting van de Ooijpolder. Toen de poort openging voor de lessen van half twee, zijn we 'm gesmeerd. We renden de Gerard Noodstraat in om in het Hunnerpark de parachutist te zien dalen. Daar hoorden we opnieuw het luchtalarm en we holden terug naar school. Daar zagen we de gevels van de huizen in de Hertogstraat naar elkaar toe neigen. Toen konden we naar binnen en moesten gehurkt tegen de muur gaan zitten.'

B. Hakvoort (16 jaar) uit Lent werkte op het kantoor van de E.R.K., tijdelijk gehuisvest op de bovenetage van P & C aan de Burchtstraat. 'Korte tijd na beeindiging van het eerste luchtalarm ging ik naar de bovenste verdieping om via de steile trap naar het dak te gaan. Van daaruit had ik een prachtig uitzicht over de stad.
Kort daarna
zag ik de vliegtuigen keren en terugkomen. Toen vielen de bommen.' Via het trapgat liet hij zich langs de leuning naar beneden glijden en is, toen het wat rustiger werd, via de Platenmakerstraat naar buiten gegaan.

Ben van Aanholt (12 jaar) uit Deest logeerde bij zijn oma en tante in de Bloemerstraat nabij de Doddendaal.en keek op het balkon naar de vele vliegtuigen. Daarna ging hij op de slaapkamer naast de kleine Tonny zitten om met hem te spelen. Vijf minuten later veranderde het geluid van de vliegtuigen ineens (van hoogstwaarschijnlijk laagvliegende vliegtuigen, Th.v.W.) en hij rende naar het balkon. Boven viel een groot stuk muur naar beneden en hij probeerde weer naar binnen te rennen. Toen is hij gewond geraakt.

Antoon Knipping uit de Dominicanenstraat zat ondergedoken in Oss. Sinds half twaalf kwamen er onophoudelijk grote groepen bommenwerpers over, omringd door grote aantallen jagers. Om half een luchtalarm. Om half twee in de verte het gedreun van inslaande bommen. Uit de richting Nijmegen dikke zwarte rookwolken. Even later twee groepen, resp. zestien en achttien vliegtuigen in de richting ZOTO-NWTW. 'We telden de vliegtuigen van de groepen en keken ze lang na tot ze achter de kerktoren verdwenen waren. Toen werd alles stil. Ik zag de brede dikke zwarte wolk omhoogstijgen en werd werkelijk bang.

Wout Kersten uit Wijchen werkte in Lent bij Termion (Philips). Half een schaft. Ze mochten tot een uur naar buiten. 'Vanuit de richting Arnhem hoorden we knallen en het gebrom van vliegtuigen. We zagen condensstrepen tegen de strakblauwe hemel. Ineens kwam er iemand in uniform naar ons toe hollen en riep dat er in Enschede en Arnhem bommen waren gevallen en dat we daarom maar beter op de grond konden gaan liggen. Niemand deed dat. Er ontstond een uitvoerige discussie met de directie. Om kwart over een kregen de mensen uit Wijchen verlof om naar huis te gaan en tien minuten later liepen we weer op de Waalbrug. Ik hoorde het geluid van de vliegtuigen nu duidelijker en vanuit de Ooij zag ik ze aankomen. Ik dacht dat de aluminium snippers die ze uitwierpen bedoeld waren om de radio-ontvangst te verstoren, maar toen ik het fluiten hoorde wist ik dat het mis was. Dat zelfde fluiten had ik gehoord bij het bombarderen van de spoorbrug bij Ravenstein en ik schreeuwde dat iedereen op de grond moest gaan liggen. Daar heb ik de verwoesting gehoord en gezien en ook nadat het even akelig stil was geweest hoorde ik blindgangers ontploffen. Een inktzwarte stofwolk dreef over ons heen.'

Henk Cloosterman (14 jaar) zat in de achtste klas van de broederschool in de Hertogstraat. Na het eerste luchtalarm vertrok hij van huis via de Daalseweg naar school, waar bij een aantal jongens ook iemand met een verrekijker naar de overvliegende vliegtuigen keek. 'Opeens zag ik vliegtuigen die laag kwamen aanvliegen.
Ik vond dat vreemd, want heel kort daarvoor had ik ze nog als kleine glinsterende stipjes met witte condensstrepen in de lucht gezien en
nu vlogen ze ineens zo laag.'
Op het moment dat hij ook even door de verrekijker wilde kijken gebeurde het.
'Ik kwam bij in de etalage van juwelier Hendriks naast de schoolpoort, maar ik was niet gewond.
'Hij had geluk want een aantal jongens was gewond of gedood.

Tonny Willems (11 jaar) uit de Lorkenstraat ging die 22 februari niet naar school in de Hertogstraat.
Hij zag thuis de vliegtuigen overkomen. 'Van de overgevlogen luchtvloot zag ik
ineens zestien vliegtuigen terugkomen. Ze vlogen in een formatie van vier naast elkaar en vier achter elkaar.
Even later hoorde ik een zwaar gerommel en ik zag direct dat er in de stad iets gebeurd was, want overal steeg rook omhoog.

Jan Leesberg (17 jaar) zat in de dakgoot van het buurhuis aan de Spoorstraat te kijken naar de overtrekkende honderden vliegtuigen te kijken. De sirene van het luchtalarm hield al na een paar seconden op en meteen hoorde hij vanuit de binnenstad een merkwaardig dreunend geluid, en tegelijkertijd zag hij een groepje laagvliegende vliegtuigen, waarvan er drie voorop vlogen. De bomluiken stonden open en hij vermoedde meteen dat dit de vliegtuigen waren die het gerommel in de stad hadden veroorzaakt. Voor het eerst in zijn leven zag hij geallieerde vliegtuigen van zeer dichtbij. Ze waren altijd kilometers hoog geweest en hij maakte het meisje achter hem hierop opmerkzaam. De 'grote vogels' kwamen op hem af en hij genoot van het prachtige gezicht. Hij zag duidelijk de grote motorgondels en de grijsblauwe buiken. Jan had het idee dat ze in een soort duikvlucht naar beneden kwamen.
Toen kwam een zware brisantbom in de richting van de Nieuwe Marktstraat en explodeerde met een enorme dreun.


De andere Nijmeegse fabel

DE OUDSTE STAD VAN NEDERLAND.

Burgemeester Thom de Graaf en sommige historici blijven hardnekkig geloven dat de in de jaren 1970 opgegraven godenpijler bewijst dat Nijmegen de oudste stad is. Volgens historisch onderzoek is deze pijler waarschijnlijk in de beginjaren van keizer Tiberius opgericht bij de beeindiging van de oorlog en 'overwinning' op de Germanen. De meest logische plaats is bij de Romeinse legioensvesting Batavodurum op de Hunerberg. Drie Nijmeegse archeologen schrijven ook in hun boek over Romeins Nijmegen: "In de laat-Romeinse tijd zijn de blokken van deze pijler kennelijk verwerkt in de vestingmuur rond het Valkhof. Honderden jaren later zijn de ruines van deze muur op hun beurt als groeve gebruikt voor de winning van de in onze streken schaarse bouwsteen zoals kalksteen en tufsteen. Dit zou de verklaring kunnen zijn voor de aanwezigheid van deze blokken in de fundering van de laatmiddeleeuwse muur rond het Valkhof".
Er is dus geen bewijs dat deze godenpijler in een burgerlijke stad stond, maar in
Oppidum Batavorum dat tot de Bataafse opstand waarschijnlijk een militair kamp was van Bataafse hulptroepen met Romeinse uitrusting en stenen officierswoningen, herbergen en een mogelijk burgerlijk bestuurscentrum. Dit werd in de fik gestoken bij hun opstandige vlucht voor de Romeinen in het jaar 70.

Zo'n dertig jaar later ontstond de Romeins-Bataafse stad Noviomagus ten westen van de latere middeleeuwse stad. Maar na het vertrek van de Romeinse kolonisten is deze stad verdwenen als sloopmaterialen naar diverse bestemmingen en heeft Nijmegen eeuwenlang geen stedelijke bebouwing meer gehad. Wel buurt- en dorpse nederzettingen als overal in de omgeving aan beide zijden van de Waal. Zoals bijvoorbeeld de Mervovingische nederzetting in Lent.

Het Maastrichtse Romeinse castellum uit 333 werd in 450 de bisschoppelijke residentie van bisschop Servatius die daarheen in 450 uit Tongeren was verhuisd en deze locatie groeide sindsdien uit tot bisschopsresidentie met een zich uitbreidende permanente stedelijke bebouwing. Pas in de 10de eeuw zal het dorp bij de burcht van Karel de Grote op het Nijmeegse Valkhof uiteindelijk tot een nieuw stadje zijn uitgegroeid. En sinds die tijd bestond Nijmegen op de plaats van het oude centrum als permanent stadje dat zich uitbreidde in de loop der eeuwen.

Conclusie: Nijmegen heeft de oudste verdwenen Romeins-Bataafse stad Noviomagus en Maastricht is de oudste permanente stad Mosa-Traiectum twee eeuwen later gevolgd door Ultra Trajectum (Utrecht).

Thijs van Woerkom
Oosterhout bij Nijmegen.

Maart 2009



Wilt u hier op reageren, stuur dan een mailtje naar de webmaster